Altijd de oudste, of altijd de jongste

Altijd de jongste, altijd de oudste

Over onbewuste rollen, verwachtingen en ontwikkeling in jeugdteams

De KNVB werkt met vaste leeftijdscategorieën: O8, O9, O10 tot en met O19/O20. Dat systeem is overzichtelijk en logisch georganiseerd, maar heeft een consequentie die in de praktijk vaak onderschat wordt. Een speler die in de O8 de jongste is, blijft dat vrijwel zijn hele jeugdopleiding. En wie daar begint als oudste, draagt dat voordeel jarenlang met zich mee.

In elk team zie je het terug. De oudste spelers zijn vaak net wat groter, sterker en verder in hun motorische ontwikkeling. Ze vallen op, winnen duels en krijgen sneller de bal. De jongsten moeten harder werken om hetzelfde effect te hebben en verdwijnen soms letterlijk uit beeld. Dat verschil is niet alleen fysiek, het vertaalt zich ook in gedrag, rolverdeling en verwachtingen binnen het team.

Die rollen ontstaan bijna automatisch. De oudere speler neemt het voortouw, de jongere volgt. De mondige speler praat, de stillere luistert. Als trainer beweeg je daar vaak ongemerkt in mee. Niet omdat je dat bewust wilt, maar omdat het logisch voelt. De speler die verder is, krijgt meer verantwoordelijkheid. De speler die minder opvalt, krijgt minder aandacht. Een zichtbaar voorbeeld daarvan is de aanvoerdersband, die opvallend vaak om de arm gaat van de oudste, grootste of fysiek meest ontwikkelde speler.

Wetenschappelijk gezien is dat goed te verklaren. Onderzoek naar het Relative Age Effect laat zien dat oudere spelers binnen een jaargang structureel worden overschat, terwijl jongere spelers vaker worden onderschat. Niet vanwege meer talent, maar vanwege tijdelijke ontwikkelingsvoorsprong. Studies van onder andere Musch & Grondin en latere onderzoeken binnen het voetbal laten zien dat deze vroege voordelen zich opstapelen: meer speeltijd, meer vertrouwen, meer verantwoordelijkheid. Andersom krijgen jongere spelers minder kansen om zich te laten zien, waardoor hun ontwikkeling minder zichtbaar wordt.

Dat effect gaat verder dan prestatie alleen. Vanuit de ontwikkelingspsychologie weten we dat verwachtingen van volwassenen een sterke invloed hebben op gedrag en zelfbeeld. Het zogenoemde Pygmalion-effect beschrijft hoe spelers zich gaan gedragen naar de verwachtingen die zij ervaren. De speler van wie verwacht wordt dat hij leidt, gaat dat doen. De speler van wie weinig wordt verwacht, leert zich aan te passen en volgt. Over jaren heen worden die patronen steeds sterker.

Voor oudere spelers schuilt daar een risico in. Zij leren vaak winnen op fysieke kracht en krijgen veel bevestiging, maar worden minder uitgedaagd om oplossingen te vinden als het lastig wordt. Zodra fysieke verschillen kleiner worden – vaak rond of na de puberteit – vallen sommige spelers terug. Jongere spelers ontwikkelen daarentegen vaak meer weerbaarheid, creativiteit en probleemoplossend vermogen, juist omdat ze jarenlang moesten compenseren. Dat zien we later ook terug in studies waarin relatief jongere spelers vaker doorstromen naar het profniveau.

Interessante statistiek: onderzoek binnen de 19 toonaangevende Duitse profclub academies laat zien dat spelers, geboren in de periode 1988-2001 en in het tweede deel van het jaar, uiteindelijk het meeste geld vertegenwoordigden. Dat waren dus ook de betere spelers.


Als trainer heb je hierin meer invloed dan je misschien denkt. Alleen al door je bewust te zijn van de leeftijdsopbouw in je team, verandert je blik. Wie krijgt structureel het woord? Wie corrigeer je snel en wie laat je lopen? Wie krijgt ruimte om te falen en wie moet altijd ‘voorbeeldgedrag’ laten zien?

Kleine keuzes maken hierin een groot verschil. Wanneer je eens bewust een jongere of stillere speler verantwoordelijkheid geeft, verandert niet alleen zijn gedrag, maar ook hoe teamgenoten naar hem kijken. Dat hoeft niet groots of geforceerd. Soms is het al voldoende om een speler een rol te geven die hij normaal niet krijgt, simpelweg om te ervaren hoe het voelt om gezien te worden.

Tegelijk vraagt dit ook nuance richting oudere spelers. Zij zijn niet automatisch leiders, en zeker niet altijd mentaal verder. Het feit dat iemand fysiek voorloopt, betekent niet dat hij emotioneel of sociaal meer aankan. Door oudere/betere spelers voortdurend in een voorbeeldrol te plaatsen, loop je het risico dat fouten minder geaccepteerd worden en ontwikkeling juist stagneert.

Talentontwikkeling gaat zelden lineair. Wat vandaag zichtbaar is, zegt weinig over wat over drie of vijf jaar boven komt drijven. Daarom is het belangrijk dat je als trainer niet alleen kijkt naar wie nu domineert, maar vooral naar wie stappen zet. Wie durft, wie leert, wie blijft proberen ondanks tegenslag. Dat zijn vaak niet de spelers die het hardst opvallen.

Uiteindelijk gaat het niet om het doorbreken van elk patroon, maar om het herkennen ervan. Door af en toe bewust tegen de stroom in te coachen, geef je spelers andere ervaringen dan ze gewend zijn. En juist die ervaringen vormen gedrag, zelfbeeld en ontwikkelkansen.

Soms begint dat met iets heel eenvoudigs.
Zoals een aanvoerdersband… bij een speler bij wie je hem normaal nooit zou overwegen, want zeg nou eerlijk; wat draagt die aanvoerdersband nou uiteindelijk bij aan het resultaat…? Mooi instrument om mee te experimenteren!

 

Lars van Halteren

lars@voetbalopleidingscentrum.nl

Vorige
Vorige

De escalatieladder: omgaan met gedrag in je team (7 stappen)

Volgende
Volgende

1 vs 1 frontaal verdedigen